Plannen voor de stadsuitleg
Voor het zover is, is er nog een lange weg te gaan. Allereerst moeten de vestinggronden buiten de stad, die inmiddels zijn overgedragen aan het Departement der Domeinen, aan de gemeente Nijmegen worden verkocht. Om een idee van de kosten te geven, presenteert ir. F.W. van Gendt, architect van de Dienst der Domeinen, in 1877 een eerste plan van uitleg voor de stad. Dit plan is er vooral op gericht een overzicht te geven van kosten en baten die de gemeente zou kunnen verwachten en is niet zozeer bedoeld om te worden uitgevoerd. Al in het eerste plan wordt rekening gehouden met de toekomstige aanleg van een spoorlijn naar Arnhem en met een station aan de westkant van de stad. Uitbreidingen zullen voornamelijk ten zuiden en oosten van de oude binnenstad plaatsvinden, en niet achter de spoordijk. Hetzelfde jaar nog wordt de Maastrichtse stadsingenieur W.J. Brender à Brandis door de Commissie van Uitleg benaderd om een plan te maken voor de stadsuitleg. In november 1877 levert Brender à Brandis zijn eerste rapport, waarin een structuur van brede singels en pleinen al duidelijk is. In het rapport levert hij veel kritiek op het eerste plan van Van Gendt: er wordt teveel aandacht besteed aan de kosten en te weinig aan de kwaliteit van de nieuwe stadsuitleg. Straten en singels vindt de Maastrichtenaar bijvoorbeeld veel te smal in het plan van Van Gendt. Ook merkt hij op dat een verdubbeling van het bebouwd oppervlak binnen twaalf jaar, wat de commissie beoogt, vrijwel onmogelijk is. Het volgend jaar wordt Brender à Brandis andermaal gevraagd een uitbreidingsplan te maken, waarin de transactie die met het Rijk was afgesloten nu wel het uitgangspunt moet vormen . Dat levert de nodige beperkingen op, maar in augustus 1878 legt hij de commissie zijn tweede plan voor. De commissie laat het plan zien aan architect-ingenieur L.A. Brouwer, die een uitbreidingsplan voor Groningen had gemaakt. Brouwer brengt enkele aanpassingen aan in het plan. Zo vervangt hij twee gelijkwaardige parallel lopende wegen in één zeer brede boulevard (Sint Canisiussingel/Oranjesingel) en één niet beplante straat (Gerard Noodtstraat/Van Broeckhuysenstraat/Van Welderenstraat) . Ook geeft hij het latere Keizer Karelplein zijn ronde vorm. De commissie is enthousiast over het ontwerp en na een aantal aanpassingen kan worden begonnen met de uitvoering. In februari 1879 begint de openbare verkoop van de grond die de gemeente had aangekocht van de Domeinen.