Plannen voor de stadsuitleg

Dit bericht is geplaatst op 7 maart 2009 in Geschiedenis en heeft nog geen reacties

Voor het zover is, is er nog een lange weg te gaan. Allereerst moeten de vestinggronden buiten de stad, die inmiddels zijn overgedragen aan het Departement der Domeinen, aan de gemeente Nijmegen worden verkocht. Om een idee van de kosten te geven, presenteert ir. F.W. van Gendt, architect van de Dienst der Domeinen, in 1877 een eerste plan van uitleg voor de stad. Dit plan is er vooral op gericht een overzicht te geven van kosten en baten die de gemeente zou kunnen verwachten en is niet zozeer bedoeld om te worden uitgevoerd. Al in het eerste plan wordt rekening gehouden met de toekomstige aanleg van een spoorlijn naar Arnhem en met een station aan de westkant van de stad. Uitbreidingen zullen voornamelijk ten zuiden en oosten van de oude binnenstad plaatsvinden, en niet achter de spoordijk. Hetzelfde jaar nog wordt de Maastrichtse stadsingenieur W.J. Brender à Brandis door de Commissie van Uitleg benaderd om een plan te maken voor de stadsuitleg. In november 1877 levert Brender à Brandis zijn eerste rapport, waarin een structuur van brede singels en pleinen al duidelijk is. In het rapport levert hij veel kritiek op het eerste plan van Van Gendt: er wordt teveel aandacht besteed aan de kosten en te weinig aan de kwaliteit van de nieuwe stadsuitleg. Straten en singels vindt de Maastrichtenaar bijvoorbeeld veel te smal in het plan van Van Gendt. Ook merkt hij op dat een verdubbeling van het bebouwd oppervlak binnen twaalf jaar, wat de commissie beoogt, vrijwel onmogelijk is. Het volgend jaar wordt Brender à Brandis andermaal gevraagd een uitbreidingsplan te maken, waarin de transactie die met het Rijk was afgesloten nu wel het uitgangspunt moet vormen . Dat levert de nodige beperkingen op, maar in augustus 1878 legt hij de commissie zijn tweede plan voor. De commissie laat het plan zien aan architect-ingenieur L.A. Brouwer, die een uitbreidingsplan voor Groningen had gemaakt. Brouwer brengt enkele aanpassingen aan in het plan. Zo vervangt hij twee gelijkwaardige parallel lopende wegen in één zeer brede boulevard (Sint Canisiussingel/Oranjesingel) en één niet beplante straat (Gerard Noodtstraat/Van Broeckhuysenstraat/Van Welderenstraat) . Ook geeft hij het latere Keizer Karelplein zijn ronde vorm. De commissie is enthousiast over het ontwerp en na een aantal aanpassingen kan worden begonnen met de uitvoering. In februari 1879 begint de openbare verkoop van de grond die de gemeente had aangekocht van de Domeinen.

Uit de wallen bevrijd

Dit bericht is geplaatst op 7 maart 2009 in Geschiedenis en heeft nog geen reacties

In 1874 komt er eindelijk goed nieuws uit Den Haag. Op 18 april van dat jaar krijgt de stad toestemming om zich te ontdoen van de zo gehate stadsmuren. In hetzelfde jaar wordt door de gemeente een raadscommissie benoemd, ‘teneinde de belangen van de Gemeente met betrekking tot de Spoorweg- en Vestingaangelegenheden voor te staan’ . Deze Commissie van Uitleg, bestaande uit de wethouders H.L. Terwindt, W. Francken en het gemeenteraadslid J.H. Graadt van Roggen, moet leiding geven aan de uitbreiding van de stad. Het staat het Driemanschap – zo wordt de commissie ook wel genoemd – voor ogen om van Nijmegen een groene, ruime stad te maken, met brede boulevards, parken, villa’s, en chique sociëteiten. Een stad die welvarende bewoners naar zich toe zou moeten trekken, oud-Indiëgangers, die zich zouden moeten kunnen vestigen in een omgeving die de overgang van de weldadige tropen naar het koude moederland draaglijk zou maken.

Bekneld binnen de wallen

Dit bericht is geplaatst op 7 maart 2009 in Geschiedenis en heeft nog geen reacties

De bloeiperiode van de stad, begonnen in de 12de eeuw, duurt maar voort. De welvaart zal pas afnemen tegen het einde van de 16de eeuw, wanneer er belangrijke politieke en godsdienstige veranderingen optreden. In de jaren twintig van de 16de eeuw wordt de dan al zwaar beschadigde aarden wal, die om de twee voorsteden was gelegd, vervangen door een nieuwe. Rondom de stad wordt een brede, aarden wal gelegd, aan de buitenkant afgewerkt met een zware, enigszins naar achteren hellende muur . Tegelijkertijd wordt de knik in de stadsmuur tussen de Molenpoort en de Hezelpoort rechtgetrokken en wordt de vroegste ommuring van de stad grotendeels gesloopt. In de tweede helft van de eeuw wordt de verdedigingsgordel verder versterkt met bastions. Gedurende ruim drie eeuwen blijft Nijmegen bekneld tussen de stadsmuren. Rondom de stad ontstaat, door veranderingen en verbeteringen aan de verdedigingswerken, een waar maanlandschap van lunetten, bastions en forten. Het inwoneraantal loopt ondertussen sterk op: eind 18de eeuw telt de stad nog ongeveer 10.000 inwoners, in 1870 wonen er al 23.000 Nijmegenaren op nog geen vierkante kilometer. De bevolkingsgroei gaat gepaard met een enorme verdichting van de bebouwing in de stad. Achter de statige huizen aan bijvoorbeeld de Grotestraat en de Molenstraat liggen vele smalle straatjes – ‘gasjes’ – waar onvoorstelbare armoede heerst. In de 19de eeuw worden verschillende verzoeken tot opheffing van de vesting ingediend, maar telkens worden deze afgewezen door het Ministerie van Oorlog, dat de vestinggronden bezit. De vesting Nijmegen is van groot belang voor de landsverdediging, zo wordt in Den Haag gesteld. In 1861 worden zelfs extra versterkingen aangebracht, zodat de vesting nog belangrijker wordt. Binnen de wallen is slechts plaats voor kleinschalige bedrijvigheid en daardoor kan de stad niet plukken van de vruchten van de eerste industrialisatiegolf. Ook kan de stad door de vestingstatus niet aan worden gesloten op het landelijk spoorwegennet. Wel komt er in 1865 een spoorwegverbinding met het Duitse Kleef tot stand.

Gelabeld met:

De middeleeuwen: Nijmegen binnen de stadsmuren

Dit bericht is geplaatst op 5 maart 2009 in Geschiedenis en heeft nog geen reacties

Nadat de Romeinen uit deze streken weg zijn getrokken, breekt de Frankische periode aan. Over de ontwikkeling van Nijmegen in deze periode is vrij weinig bekend, maar waarschijnlijk is de plaats wel spaarzaam bewoond gebleven. Vanaf het midden van de achtste eeuw maakt Nijmegen – dan Numaga genoemd – opnieuw deel uit van een groot rijk: het Frankische Rijk. Aan het eind van deze eeuw maakt Keizer Karel de Grote Numaga tot zijn meest noordelijk gelegen verblijfplaats en hij laat een paleis of ‘palts’ bouwen op de Valkhofheuvel. In 880 wordt de palts ingenomen door plunderende Noormannen, die het een jaar later bij hun vertrek in brand steken. De palts wordt herbouwd, gaat in 1047 in vlammen op en wordt hersteld. Deze derde palts maakt uiteindelijk plaats voor een grote burcht, die keizer Frederik Barbarossa tussen 1152 en 1155 laat bouwen. Numaga als handelsnederzetting ontstaat – waarschijnlijk al voor het jaar 1000 – tussen de huidige Grotestraat, Priemstraat en Nonnenstraat, ten westen van de Valkhofheuvel en op korte afstand van de Waal. Aanvankelijk heeft de nederzetting slechts weinig betekenis, maar in de twaalfde eeuw groeit de welvaart en breidt de Numaga zich uit in de richting van de rivier en later richting de Valkhofheuvel. Onderaan deze heuvel ligt de aanlegplaats voor de veerpont, die dan nog steeds de verbinding met de Over-Betuwe vormt. In de 13de en 14de eeuw groeit ‘Nieumeghen’, dat in 1230 stadsrechten krijgt, steeds verder in zuidelijke richting. Burcht- en Broerstraat worden bebouwd, en op de kruising van deze twee wegen, vlakbij de in 1273 ingewijde Sint-Stevenskerk op de Hundisburg, ontstaat het nieuwe hart van de stad. Tussen de Waalkade en dit nieuwe centrum, aan de Grotestraat, vestigen zich de rijke kooplieden. Daarachter ontstaat een netwerk van nauwe straatjes, waar de minder welvarende burgers hun onderkomen vinden. Met de verwerving van stadsrechten krijgt Nieumeghen onder andere het recht om stadsmuren aan te leggen. Waarschijnlijk komt aan het eind van de 13de eeuw een eerste aarden omwalling tot stand, waarbinnen de Valkhofburcht nog niet is opgenomen. Ongeveer een eeuw later wordt een tweede omwalling in steen uitgevoerd. Deze stadsmuur begint onderaan de Lindenberg en loopt via de Hoogstraat, Oude Stadsgracht, Pauwelstraat, Oude Varkensmarkt, Doddendaal, Parkweg en Nieuwe Markt terug naar de Waaloever. Mogelijk ligt nu ook de burcht binnen de stadsgrenzen. Binnen de ommuring groeit de stad organisch: niet of nauwelijks gecontroleerd. Rond 1450 is de stad nog lang niet volgebouwd, maar buiten de ommuring zijn dan al twee voorsteden ontstaan: de Nieuwstad ten oosten en de Voorstad ten zuiden van de stad. Langs de Molenstraat, Ziekerstraat, Hertogstraat en Sint-Jorisstraat, is al sprake van gesloten bebouwing. De behoefte ontstaat om deze voorsteden bij de verdediging van de stad te betrekken en daarop besluit men een extra aarden wal aan te leggen. Deze volgt de loop van de huidige Derde en Tweede Walstraat en een deel van de Eerste Walstraat. Ter hoogte van de huidige Bloemerstraat buigt de wal abrupt af, om met een rechte hoek aan te sluiten op de bestaande muur . Zo is de meeste bebouwing rondom de stad ‘veilig’ opgenomen in de nieuwe omwalling. De middeleeuwen lopen geleidelijk ten einde, maar na deze tijd zal er nog veel aan de stadswallen worden gesleuteld.

De Romeinse tijd

Dit bericht is geplaatst op 4 maart 2009 in Geschiedenis en heeft nog geen reacties

De geschiedenis van Nijmegen begint ongeveer in het midden van de eerste eeuw voor Christus, als de Bataven neerstrijken op de hoogvlakte, die in de voorlaatste Saale-IJstijd was ontstaan, zo’n 150.000 jaar geleden. Rond 15 voor Christus stichten zij op het meest westelijke uiteinde van deze hoogvlakte, op en rond het huidige Valkhof, het ‘Oppidum Batavorum’: de stad van de Bataven. Vanaf hier heeft men een goed uitzicht over een groot deel van het rivierengebied, wat belangrijk is vanuit militair oogpunt. In dezelfde periode bouwden de Romeinen hun legerkampen op de strategisch hoog gelegen spoelzandwaaier-hoogvlakte van Nijmegen, met name het Kops Plateau en het Hunnerplateau. Op dit Hunnerplateau realiseerden zij een groot legerkamp voor zo’n 10.000 soldaten. De ‘castra’, met een grootte van ongeveer 40 hectare, krijgt een rechthoekig stratenpatroon en wordt omringd met een aarden wal. De Bataven en Romeinen leven vrij vredig naast elkaar, tot in 69 na Christus, wanneer de Bataafse opstand uitbreekt. De Romeinen slaan deze opstand neer, verjagen de Bataven van het Valkhof en beginnen in 70 met het versterken van hun castra. Houten gebouwen maken plaats voor stenen, en rond het legerkamp komen een stenen vestingmuur en een diepe gracht. De oppervlakte van het kamp is echter gehalveerd en biedt nog plaats aan vijf- tot zesduizend soldaten. Rond het kamp ontstaat een kampdorp, waar ongeveer 2.500 mensen wonen. De verjaagde Bataven bouwen ondertussen – met hulp van Romeinse soldaten – een nieuwe stad even ten westen van het vernielde oppidum. De stad krijgt een ‘Romeinse’ vorm, met het typische dambordpatroon. Omstreeks het jaar 105 verleent keizer Marcus Ulpius Traianus marktrecht aan deze nog jonge Bataafse stad, die de naam ‘Ulpia Noviomagus Batavorum’ krijgt. In de tweede helft van de tweede eeuw krijgt de stad daadwerkelijk Romeinse stadsrechten, en wordt ze ommuurd. Er wonen dan ongeveer 5.000 mensen. De stad beleeft een ware bloeiperiode. Onderaan het Valkhof, langs de rivier, ontstaat een nieuwe handelsnederzetting. Zo wonen er in een strook van vijf kilometer langs de Waal ongeveer 10.000 tot 15.000 mensen. Er zijn goede verbindingen met steden als Xanten en Keulen en er wordt een brug aangelegd over de Waal (ongeveer op dezelfde plaats waar de huidige spoorbrug ligt). Rond 104 heeft het Tiende Legioen de castra op de Hunerberg al verlaten. Het legerkamp biedt nog wel plaats aan enkele kleinere legereenheden, maar na 175 wordt het kamp voorgoed door de Romeinen verlaten. De bloeiperiode van Noviomagus duurt tot ongeveer 200. Daarna gaat het bergafwaarts: door onrust binnen het grote Rijk verslapte de bewaking van de grenzen, en geregeld drongen Germaanse stammen het gebied binnen. Mogelijk mede door stijging van het waterpeil van de Waal werd Noviomagus rond 270 verlaten en trokken de burgerbevolking en de legioensoldaten zich terug op en rond de Valkhofheuvel, daar waar vroeger het Oppidum Batavorum lag. Het Romeinse gezag is weer hersteld, maar rond 400 was het gedaan met de Romeinse aanwezigheid in deze streken.

Herinrichting gestart lange hezelstraat

Dit bericht is geplaatst op 19 september 2008 in Nieuws en heeft nog geen reacties

Na maanden van voorbereiding is de herinrichting gestart van de oudste winkelstraat van nijmegen.
De start is begonnen op maandag 15 september 2008 en wordt in 7 fases uitgevoerd en zal klaar zijn rond 15 november 2008.
De bestrating wordt vernieuwd ook de lantaarns worden vervangen door authentieke hangverlichting.
Verder komen er bomen meer groen en zitjes in de straat.
De winkels zijn de gehele periode van 15 septmeber 2008 tot 15 november 2008 gewoon bereikbaar voor winkelend publiek.

Gelabeld met:
Pagina 2 van 41234